Mottes op de Duivelsberg -











De Ooijpolder, Duitsland en zelfs de grote delen van de Veluwe zijn vanuit Nijmegen zichtbaar bij helder weer. Om dit uitzicht te verkrijgen bouwde men aan het begin van de 11e eeuw kunstmatige kasteelheuvels op de Duivelsberg die lange tijd dienst deden als verdedigingsmiddel, ze heten mottes. De kleine motte deed dienst als uitkijkpost, de grote werd opgeworpen om een kasteeltoren op te bouwen.
Een motte bestond uit een aangelegde kasteelheuvel met daar omheen een gracht en een omwalling. In Nederland waren de meeste mottes te vinden in het laagland. De grachten konden bij lage ligging eenvoudig met water worden gevuld. De allereerste bebouwing van de mottes was van hout. Later ging men over op natuursteen of baksteen. Na 1300 werden er geen mottes meer aangelegd.
Tussen het jaar 1000 en 1300 liet vooral de adel mottes bouwen om zich te verdedigen. Op de Duivelsberg als strategisch punt boven de Duffelt, het gebied tussen Nijmegen en Kleve, liet naar alle waarschijnlijkheid graaf Baldrick de mottes aanleggen die op dat moment de macht bezat in dit gebied. Samen met zijn echtgenote Adela Wichman van Elten wist hij grote gebieden te veroveren.
Wie een motte wilde aanvallen was in het nadeel ten opzichte van de verdedigers want de aanvallers dienden niet alleen een gracht en wal over te steken maar bij deze motte moesten ze ook nog een zeer steile helling te beklimmen. De Motte Mergelpe, zo heet de motte op de Duivelsberg, werd op een bijzonder strategisch punt gebouwd. De Duivelsberg, waarvan de top 76 meter hoog is, wordt aan beide kanten ook nog eens begrensd door diepe smeltwaterdalen. Een extra grote belemmering op de motte te bereiken.
Die smeltwaterdalen rondom de mottes maken deel uit van de stuwwal die ontstond in het Pleistoceen (periode 1,8 miljoen - 11.000 jaar geleden waarin de ijstijden zich voordeden). Het landijs perste enorme rivierafzettingen van zand, grind en leem omhoog en zo ontstond de stuwwal. Met het smelten.